Header_bezoekers.jpg

Artje Brut

Bij de startbijeenkomst van de Art Brut Biënnale (in 2011) bracht André Manuel een prachtige ode aan zijn buurjongen Artje Brut. Een fragment:


Werkelijk een ieder die met Art Brut in contact kwam liep op zijn minst 24 uur lang met een glimlach van oor tot oor op zijn gezicht en kon niet anders dan luidkeels zingend en huppelend als een klein kind door het leven gaan. Ja. Art Brut was een kereltje die zelfs van de sjacherijnigste PVV-er een Bhagwan-aanhanger had weten te maken. U begrijpt, dit verhaal speelt zich af in een ver verleden. In een tijd dat ze nog bestonden. De Dorpsgekken die voor reuring zorgden. De Maatschappelijk Onaangepasten die de lucht pimpelpaars schilderden omdat ze de lucht nu eenmaal het liefst pimpelpaars zagen. Alsof ze zo uit een Schilderij van Jeroen Bosch waren gestapt, wonderbaarlijke schepselen der natuur met vleugels op hun rug, oren groot als schotelantennes en armen zo lang als bezemstelen zodat ze de kinderen in het dorp van dienst konden zijn bij het jatten van appels uit de boomgaard van Dominee Knottnerus. En de ene dag droeg hij een hoofddoek. De volgende dag een keppeltje. Soms blootshoofd. Soms een indianentooi. Soms een helm. Kaal. Of met lang blond golvend haar. Art Brut liep er gewoon bij zoals hij er bij liep. Want Art Brut was nu eenmaal Art Brut. Een tovenaar. Een Magier. Een dorpsgek. Een koning op de vierkante centimeter. Een god in zijn eigen universum. Art Brut was een fantastische figuur. Een droom van een jongen. Een lofzang op het leven. Een ode aan de tolerantie. De Ridder van Das War Einmal. Een dichtende Duitser. Een Frolijke Fransoos. Een Blije Belg. Art Brut. Dames en heren. Art Brut. Onthoud die naam. Dat wordt een hele grote. Dat wordt een hele grote. Art Brut. Art Brut. Art Brut.